We moeten
de openbare ruimte
opnieuw definiëren

All stories

Rijksbouwmeester Floris Alkemade adviseert gevraagd en ongevraagd over de architectuur en de stedelijke omgeving van het rijksvastgoed. Hij is opgeleid als architect en heeft een schat aan ervaring in binnen- en buitenland. We spreken hem over de dynamiek van de openbare ruimte, de nieuwe mogelijkheden die de teloorgang van winkelstraten met zich meebrengt en de vraag of het overal wel zo levendig moet zijn in onze Nederlandse steden.

Hoe kijk jij naar de ontwikkeling van de openbare ruimte in Nederland?

‘De openbare ruimte verandert continu. Op dit moment gaan veel winkels over de kop. Dat roept de vraag op hoe je de binnenstedelijke openbare ruimte zonder al die winkels kunt inrichten. Lastig, maar het brengt ook nieuwe mogelijkheden met zich mee. Die continue focus op winkelen als dominante activiteit zie ik ook als een verschraling van wat de openbare ruimte zou kunnen zijn. Intrigerend aan deze tijd is de bijna obsessieve hang naar gezelligheid. Het moet overal ‘levendig’ zijn: druk maar ook weer niet té druk. Waarom eigenlijk? En in hoeverre is dat een realistische verwachting? Je kunt ook prachtige ruimten met een zekere verstildheid hebben, waar niets te koop is.’

Wat zijn de geheimen van goede openbare ruimte?

‘Kijk naar stedelijke ruimten, naar pleinen die goed functioneren. Kijk naar de maat, de programmering en vooral ook naar de begrenzing, de pleinwanden. Goede verhoudingen van de openbare ruimte zijn vaak heel bepalend. Dat is heel mooi zichtbaar op het Lange Voorhout in Den Haag: een van de mooiste stedelijke ruimten die ik ken. Er lopen wegen doorheen, er staan auto’s  geparkeerd en er zijn heel weinig winkels of publieke programma’s. Maar de indeling, de verhoudingen, kloppen gewoon. Het is een gebied waar je met plezier langer blijft dan je van plan was. Het is daarbij ook bepalend dat de promenade, het wandelen, centraal staat. De hoofdroute ligt in het midden.’

Wat zijn specifieke kenmerken en uitdagingen voor Nederlandse steden?

‘Ik kom net terug uit China. De dichtheid van de nieuwe steden is daar enorm waardoor er veel meer mensen op straat lopen en er dus ook veel meer voorzieningen zijn. Dat geeft het openbare leven een enorme impuls. Typisch voor Nederland zijn de lage dichtheden. Hoe maak je levendige openbare ruimten zonder die dichtheden, zonder die druk? Ik ben wel hoopvol omdat ik merk dat er in Nederland steeds meer aandacht komt voor hoe de openbare ruimte is vormgegeven. Er is veel waardering voor de intelligentie die in de oude structuren besloten ligt en er is een besef hoe belangrijk een binnenstad is. Maar tegelijkertijd is die structuur ook kwetsbaar. Twee, drie gevoelloze projecten kunnen die prachtige straten om zeep helpen. Niet iedereen is zich van die kwetsbaarheid bewust. Ik ben ook veel in Amerikaanse steden geweest. Als je daar je auto uitstapt, weet je soms als voetganger niet meer hoe je de stad kunt beleven: je kunt simpelweg nergens naartoe  lopen. Alles is op auto’s gericht. Het is altijd weer een opluchting om in Nederland over straat te lopen en te merken hoe rijk en vanzelfsprekend de openbare ruimten hier zijn ingericht.’

Zijn Nederlandse steden in staat om een kwaliteitsslag te maken?

‘Vooral in veel provinciesteden, de middelgrote steden, staan nu ineens veel winkels leeg. Dat geeft een beeld van verval en failliet dat hard aankomt. Iedere verandering is lastig, maar het omvallen van al die winkels is een fundamentele verandering die echt om het inzetten van ontwerpkracht van gemeenten vraagt. De nieuwe omgevingsvisie vraagt gemeenten ook wel om omgevingskwaliteiten te beschrijven. Dat is ook belangrijk voor projectontwikkelaars. Het gaat hun in de eerste plaats om concrete projecten en winst maken, maar ze zijn vaak best in staat om meer te investeren als ze weten dat ze in een context met duidelijke toekomstwaarde opereren. Het is de verantwoordelijkheid van de lagere overheden om een duidelijk beeld te scheppen waar ze naartoe gaan. Ik hoop dat gemeenten in staat zijn om de juiste ontwerpkracht in te zetten. Veel steden hebben geen stedenbouwkundige dienst van betekenis meer. Er is een risico dat sommige steden de regie verliezen maar dat kan ondervangen worden door het betrekken van goede ontwerpers bij het opstellen van de omgevingsvisies.’

Zijn er lichtende voorbeelden?

‘Het is boeiend hoe op de meest onmogelijke plekken toch een soort nieuw leven ontstaat. Zo is de Wibautstraat in Amsterdam met de herinrichting en onder andere het Volkshotel enorm verbeterd. Voorheen had je daar toch vooral het gevoel van ‘hoe kom ik hier zo snel mogelijk weg’. Strijp-S in Eindhoven is ook een interessant gebied waar je allerlei bedrijfjes op ziet komen. Juist de zekere onaangepastheid van de gebouwen is de aanleiding tot alternatief gebruik. Verder is ‘de Haagse loper’, de route vanaf het centraal station naar de ministeries en stadshuis, enorm opgewaardeerd. Het gaat ook om een bewustzijn en een cultuur die je op moet bouwen. Dat komt met golven. Zo is de ontwikkeling van allerlei ‘water fronts’ vrij recent. Alleen al het idee dat water iets aantrekkelijks is, is relatief nieuw. Vroeger stonk het water ook veel meer. Dat vind ik interessant, de tijdelijkheid van wat vanzelfsprekend lijkt.’

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst?

‘Als je berichten over de razendsnelle opkomst van zelfrijdende auto’s serieus neemt, dan wordt er in de toekomst zeker niet minder gereden, maar is er wel minder privé autobezit. De impact daarvan is enorm. Als je al onze woonstraten en pleinen voorstelt met 25% minder parkeerplekken, dan kun je je indenken wat voor fantastische mogelijkheden er ontstaan. Er komt meer ruimte voor een ander gebruik van die plekken wat de kwaliteit ten goede zal komen.’

‘Daarnaast zie je een enorme vergrijzing in de maatschappij. Zorg wordt daarbij steeds minder in instituten georganiseerd en mensen blijven langer thuis wonen. Het is de vraag of dat iets voor de kwaliteit en inrichting van het openbare domein kan betekenen. We moeten ophouden vergrijzing uitsluitend als een probleem te beschrijven. Als we de openbare ruimte goed inrichten voor ouderen kan de vergrijzing een fantastische impuls geven aan het openbare leven van onze steden en dorpen.’

‘Een belangrijke functie van de openbare ruimte is ook dat mensen elkaar ontmoeten. Dat belang moet je niet onderschatten. Sport, werk, scholen zijn allemaal gesegregeerd en de scheiding tussen groepen mensen neemt toe. Overal wordt van alles afgeschermd. Zo heb je nu ook poortjes op stations. Het is een taak van de overheid en andere partijen die met de stad bezig zijn om daar alert op te zijn en ervoor te zorgen dat we niet stelselmatig groepen uitsluiten.’

Hoe hoop je dat we verder met openbare ruimte omgaan?

‘Dat we het openbare domein als een zelfstandige opgave behandelen die net zoveel aandacht krijgt als ieder bouwproject. Een bouwproject krijgt een planning, budget en programmering. Doe hetzelfde voor het openbare domein en beschouw het niet als een restruimte. Met goede vormgeving kun je mooie ruimten maken. Kijk naar programmering van functies, maar zorg ook dat je de kwaliteit overeind kunt houden als die functies er niet zijn. Nederlandse binnensteden zijn plekken waar van generatie op generatie aan wordt gewerkt. Daar zit dus de mogelijkheid om alles wat eerder is neergezet te verrijken: wat goed is behouden en niet te verlegen zijn om dingen te veranderen. Daardoor verbeteren steden.’

HEY, YOU!
WE’RE SEARCHING FOR NEW WRITERS AND STORIES ABOUT PLAZAS AND CITY CENTERS

Interested? Join The City At Eye Level and share your story!

Discover more

RELATED
STORIES

All stories